Samenwoners doen er goed aan om een vergoedingsrecht vast te leggen in een (samenlevings-)overeenkomst wanneer zij samen een eigen huis kopen en de ene partij eigen geld investeert in de woning. Volgens de wet zijn de eigendomsaandelen immers gelijk, tenzij een andere verhouding is vastgelegd. Ook als de ene partij investeert in de woning die eigendom is van de ander, bijvoorbeeld vanwege een verbouwing, is het aan te raden daarover schriftelijk afspraken te maken.
Voor gehuwden en geregistreerd partners zijn de vergoedingsrechten wettelijk geregeld in artikel 1:87 BW. Deze bepaling luidt als volgt:
“Indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding.”
Is de investering gedaan voor 1 januari 2012 dan is de vergoeding nominaal. Een investering na die datum rendeert, hetgeen betekent dat de investering volgens de beleggingsleer vergoed moet worden. Dit betekent dat bij privéinvesteringen in een goed rekening wordt gehouden met de waardestijging of waardedaling van dat goed.
Artikel 1:87 is niet geschreven voor samenwoners. De Hoge Raad heeft in een arrest van 10 mei 2019 geoordeeld dat de bepalingen die bedoeld zijn voor echtgenoten aangaande vergoedingsrechten niet analoog gelden voor samenwoners. Dit betekent dat samenwoners terugvallen op het algemene verbintenissenrecht en aan de hand daarvan beoordeeld moet worden of één van partijen recht heeft op een vergoedingsrecht.
Is er geen samenlevingscontract waarin het ontstaan van vergoedingsrechten is geregeld dan moet aan de hand van het algemene verbintenissenrecht bepaald te worden of de investering teruggevorderd kan worden. Een terugvordering kan in sommige gevallen worden gebaseerd op de rechtsgrond onverschuldigde betaling, dan wel de ongerechtvaardigde verrijking. Daarvan is lang niet altijd sprake zo blijkt ook uit de uitspraak van de Hoge Raad van 10 mei 2019, maar dan kan er nog sprake zijn van een vergoedingsrecht op grond van de redelijkheid en billijkheid. Dat vraagt echter weging van alle omstandigheden van het geval en biedt dus absoluut geen zekere uitkomst. Daarom is het beter om vast te leggen of er een vergoedingsrecht ontstaat en ook wanneer en hoelang een beroep kan worden gedaan op dit vergoedingsrecht. Vorderingen zijn immers onderhevig aan verjaring en de termijn start op het moment dat de vordering opeisbaar is. Bij gehuwden begint de verjaringstermijn bij de ontbinding van het huwelijk en duurt 6 maanden. Maar deze regel geldt ook weer niet voor samenwoners. Bovendien is er bij samenwoners geen echtscheidingsdatum.
Als de investering en het recht op vergoeding daarvan niet is vastgelegd ten tijde van de aankoop van de woning, dan kan dat ook later. Als daarover afspraken worden gemaakt is het verstandig om schriftelijk vast te leggen: het bedrag dat is geïnvesteerd, de datum van investering, of de vergoeding nominaal zal zijn of volgens de beleggingsleer, het moment waarop het vergoedingsrecht opeisbaar is en op welk moment het vergoedingsrecht verjaard. De rechtspraak is namelijk over dat laatste ook verdeeld.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden (11 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4553) oordeelt dat de vordering ontstaat op het moment dat de privé-investering wordt gedaan. Het Hof Den Haag (10 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3802) oordeelde eerder dat de rechtsverhouding tussen partijen meebrengt dat de vordering pas opeisbaar wordt bij verkoop van de woning.
Artikel 3:330 BW stelt de verjaringstermijn op vijf jaar. Dit betekent dat een vordering al tijdens de samenleving kan verjaren (mits niet gestuit) als niet duidelijk is afgesproken wanneer het vergoedingsrecht opeisbaar wordt. Als uitgangspunt voor de opeisbaarheid kan onder meer gekozen worden voor het moment van verbreking van de samenwoning of verkoop van de woning. Als de opbrengst van de woning weer wordt geïnvesteerd in een volgende woning, is het belangrijk goed te hebben vastgelegd wat er met het vergoedingsrecht gebeurt.
Het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 is terug te vinden onder kenmerk: ECLI:NL:HR:2019:707